LJN: AS3820, Rechtbank 's-Gravenhage, zittingsplaats Haarlem, AWB 02/24697, 02/24691

Printbare versie

Datum uitspraak:

15-12-2004

Datum publicatie:

09-02-2005

Rechtsgebied:

Vreemdelingen

Soort procedure:

Voorlopige voorziening+bodemzaak

Inhoudsindicatie:

Azerbeidzjan / bescherming autoriteiten. Eisers hebben terecht gesteld dat het ambtsbericht van 28 april 2004, voorzover het betreft de vraag of etniciteit een rol speelt bij de toelating van Azerbeidzjaanse staatsburgers, en de conclusie uit de Afdelingsuitspraak 200403838/1 van 9 juli 2004, dat niet kan worden aangenomen dat Azerbeidzjaanse staatsburgers van Armeense of gemengde afkomst niet tot Azerbeidzjan zullen worden toegelaten, niet op eisers van toepassing zijn. In de brief van de Azerbeidzjaanse ambassade te Berlijn van 30 juli 2004 wordt verklaard dat het Azerbeidzjaanse staatsburgerschap van eisers niet vastgesteld kan worden, omdat niet bekend is of zij uit Azerbeidzjan afkomstig zijn en daar hebben gewoond. De persoonsgegevens van eisers zijn niet in het 'Adressenbüro' van de Azerbeidzjaanse Republiek geregistreerd. Daaruit kan evenwel nog niet worden geconcludeerd dat zij door de Azerbeidzjaanse autoriteiten worden gediscrimineerd. Uit de brief blijkt immers niet op welke wijze het onderzoek door de Azerbeidzjaanse ambassade heeft plaatsgevonden en of eisers alle benodigde documenten hebben overgelegd. Onder deze omstandigheden kan uit bedoelde brief niet geconcludeerd worden dat etniciteit een rol heeft gespeeld bij de mededeling van de Azerbeidzjaanse autoriteiten dat het staatsburgerschap van eisers niet vastgesteld kan worden. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het voor hen gevaarlijk of bij voorbaat zinloos zou zijn geweest bescherming van hogere autoriteiten in te roepen. Beroep ongegrond.

 

 

Uitspraak

 

Rechtbank ’s-Gravenhage
nevenzittingsplaats Haarlem
enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken
voorzieningenrechter


U I T S P R A A K

artikel 8:77 en 8:81 Algemene wet bestuursrecht (Awb)
artikel 71 Vreemdelingenwet 2000 (Vw)


reg.nr:  AWB 02 / 24697 (beroepszaak)
  AWB 02 / 24691 (voorlopige voorziening)


inzake:  A, geboren op [...] 1963, eiser / verzoeker, en B, geboren op [...] 1964, eiseres / verzoekster, beiden gesteld staatloos, en hun minderjarige kinderen C, geboren op [...], D, geboren op [...] 1987, E, geboren op [...] 1992 en F, geboren op [...] 1998, verder te noemen eisers,
  gemachtigde: mr.drs. J. Hemelaar, advocaat te Zoetermeer,


tegen:  de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie, voorheen: de Staatssecretaris van Justitie, verweerder,
  gemachtigde: mr.
L.J.J. Stams, werkzaam bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst te ’s-Gravenhage.


1. GEGEVENS INZAKE HET GEDING

1.1 Bij besluiten van 14 december 1999 zijn de aanvraag van eiser van 30 maart 1999 en de aanvraag van eiseres van 31 maart 1999 om hen toe te laten als vluchteling niet ingewilligd. De besluiten strekken tevens tot het niet verlenen van een vergunning tot verblijf wegens klemmende redenen van humanitaire aard.

1.2 Het hiertegen ingediende bezwaar van eiser van 14 december 1999 en het bezwaar van eiseres van 19 januari 2000 zijn bij besluiten van 7 maart 2002 respectievelijk 8 februari 2002, uitgereikt op 7 maart 2002, ongegrond verklaard. In bezwaar heeft verweerder de aanvragen aangemerkt als aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

1.3 Tegen de besluiten op bezwaar hebben eisers op 2 april 2002 beroep ingesteld.

1.4 Bij verzoekschrift van 2 april 2002 hebben eisers verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening over te gaan tot schorsing van de beslissing van verweerder om uitzetting niet achterwege te laten, totdat op het bezwaar is beslist. Nadat beroep is ingesteld, is het verzoek aangemerkt als strekkende tot een verbod op uitzetting, totdat op het beroep is beslist.

1.5 Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en in zijn verweerschrift geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep en afwijzing van het verzoek.

1.6 Verweerder is op grond van artikel 83, derde lid, Vw in de gelegenheid gesteld schriftelijk te reageren op ingeroepen feiten en omstandigheden, die volgens eisers zouden zijn opgekomen na het nemen van het besluit. Verweerder heeft volstaan met een mondelinge reactie ter zitting.

1.7 De openbare behandeling van het geschil heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2004. Eisers zijn daar in persoon verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. OVERWEGINGEN

2.1 In de hoofdzaak toetst de rechtbank het bestreden besluit aan de hand van de voorgedragen beroepsgronden op rechtmatigheid en ambtshalve aan voorschriften van openbare orde.

2.2 Op 1 april 2001 is de Vreemdelingenwet 2000 in werking getreden en de voordien geldende Vreemdelingenwet (hierna: Vw oud) ingetrokken. Nu het primaire besluit is bekendgemaakt voor 1 april 2001, is ingevolge artikel 117 en 118 Vw zowel op de behandeling van de aanvraag en het bezwaar alsmede ten aanzien van de mogelijkheid enig rechtsmiddel tegen dat besluit aan te wenden het voor 1 april 2001 geldende recht van toepassing. Het bestreden, na 1 april 2001 genomen besluit dient materieel te worden getoetst aan het nieuwe vreemdelingenrecht.

2.3 Een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan worden verleend op de in artikel 29 Vw genoemde gronden.

2.4 Ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw kan een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, als bedoeld in artikel 28 Vw, worden verleend aan de vreemdeling die verdragsvluchteling is.

2.5 Discriminatie kan eerst als vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag worden aangemerkt, indien de discriminatie van zodanige aard en omvang is, dat het leven van betrokkene daardoor onhoudbaar is geworden en het aannemelijk is dat de autoriteiten hem niet hebben kunnen of willen beschermen tegen deze vorm van discriminatie.

2.6 Ingevolge artikel 31, eerste lid, Vw wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd asiel afgewezen, indien een vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.

2.7 Eisers hebben ter onderbouwing van hun aanvragen het volgende aangevoerd. Eiser is oorspronkelijk afkomstig uit Armenië en is van gemengd Azeri-Armeense afkomst. Eiseres is afkomstig uit Azerbeidzjan en heeft eveneens een gemengd Azeri-Armeense afkomst. In februari 1989 is het geboortedorp van eiser door Armeniërs aangevallen, waarop eiser naar Baku, Azerbeidzjan, is gevlucht. Diezelfde maand is in Azerbeidzjan de (Armeense) moeder van eiseres gedood door een menigte van Azeri’s, waaronder politiefunctionarissen. In Baku hebben eiser en eiseres elkaar ontmoet en zijn zij gehuwd.  
In januari 1990 is de moeder van eiser, die eveneens naar Baku was gevlucht, gedood door een menigte. Diezelfde dag is er een inval gedaan in het huis van eisers door een grote groep Azeri’s waaronder politieagenten en militairen. Eiser werd bewusteloos geslagen en eiseres en haar kinderen werden mishandeld. De dag erna zijn eisers naar een andere woning in Baku verhuisd waar zij tot 1 september 1995 gewoond hebben. In die periode is eiser tien tot twaalf keer opgepakt door de politie. Tijdens deze detenties werd hij regelmatig mishandeld en is zijn geld afgenomen. In juni 1993 werd hij zo ernstig mishandeld dat hij een maand in bed moest blijven. Op 1 september 1995 werd er een inval gedaan door politieagenten in de woning van eisers en werden eiseres en een dochter ernstig mishandeld. Die nacht zijn eisers door Russische buren naar G, Azerbeidzjan, gebracht. Daar hebben zij tot januari 1998 verbleven. Op een dag in januari 1998 werd eiser op de markt herkend door oude (Azeri-) landgenoten en aangevallen. Eiser wist te ontkomen en nog diezelfde dag is het gezin naar het Kusar-district in Azerbeidzjan verhuisd. Bij het sprokkelen naar hout in februari 1998 is eiser door politieagenten mishandeld. In juni 1998 is hij opgepakt op de markt in H toen de politie iedereen oppakte die niet van de lokale bevolking was. Toen de politieagenten de documenten van eiser hadden bekeken zeiden zij dat hij Armeniër was en vervolgens werd hij op zijn been geslagen en gedwongen zijn eigen bloed op te ruimen. De agenten dwongen hem vervolgens hen naar zijn huis te brengen. Daar sloegen zij eiseres en een dochter en dreigden terug te komen als zij er achterkwamen dat eiseres en de kinderen ook Armeniërs waren. Zij zouden hen dan doden. Nog diezelfde avond zijn eisers naar Kursk in de Russische Federatie gevlucht. In Kursk zijn eisers op een dag naar het politiebureau gebracht. Daar hebben zij een verblijfsvergunning aangevraagd maar die werd mondeling geweigerd. De politieagenten vertelden dat zij al voldoende vluchtelingen hadden en dat zij het andere been van eiser ook wel wilden breken als zij niet weggingen. Een maand later kwam eiser de agenten tegen en werd hij opgepakt, mishandeld en bedreigd. Daarop zijn eisers naar Moskou vertrokken. Daar hebben zij opnieuw een verblijfsvergunning aangevraagd, maar ook die is geweigerd. De politieagenten werden agressief en hebben eiser geslagen. Eisers hebben nog tot 23 maart 1999 in Moskou verbleven in welke periode eiser meer keren door de politie is opgepakt en mishandeld. Op 3 februari 1999 liet eiser zijn paspoort zien en vroeg of zijn kinderen naar school konden gaan. Toen werd zijn paspoort verscheurd. Later die maand kwamen de politieagenten naar het huis van eisers en werd het gezin bedreigd met uitzetting.

2.8 Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten op het standpunt gesteld dat eisers niet hebben bestreden dat zij op grond van de staatsburgerschapwetgeving van Azerbeidzjan geacht kunnen worden het staatsburgerschap van dat land te bezitten. Voorts is de door eisers ondervonden discriminatie niet zo ernstig is dat sprake is van vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Uit het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 14 augustus 2001 over Azerbeidzjan (kenmerk: DPC/AM 708848) blijkt dat sinds 1994 geen etnische zuiveringen of gerichte acties van de Azerbeidzjaanse autoriteiten tegen personen van Armeense afkomst meer hebben plaatsgevonden. Uit hetgeen eisers hebben aangevoerd kan voorts niet worden geconcludeerd dat zij vanwege discriminatie door politiefunctionarissen en/of medeburgers dermate in hun bestaansmogelijkheden zijn beperkt dat zij niet meer op sociaal en maatschappelijk niveau konden functioneren. Voorts hadden eisers tegen de problemen van de zijde van politiefunctionarissen en medeburgers de bescherming van de (hogere) autoriteiten of de internationale autoriteiten kunnen inroepen.  
Bovendien hadden eisers zich aan de problemen in het Kusar-district kunnen onttrekken door zich elders in Azerbeidzjan te vestigen. Wellicht ten overvloede geldt dat eisers een verblijfsalternatief hebben in de Russische Federatie.  
Tot slot is niet aannemelijk geworden dat eisers bij terugkeer uit Azerbeidzjan hebben te vrezen voor arrestatie omdat zij geen geldige documenten hebben. Uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 9 augustus 2000 blijkt immers dat Azerbeidzjaanse staatsburgers zonder documenten zich bij terugkeer in Azerbeidzjan kunnen laten registreren in hun rayon en vervolgens hun verdere registratie kunnen regelen.   

2.9 Eisers hebben daartegen ingebracht dat zij gediscrimineerd worden, zowel door de (hogere) autoriteiten als door medeburgers. Zij hebben tevergeefs getracht een bewijs te bemachtigen dat zij de Azerbeidzjaanse nationaliteit bezitten. Daaruit blijkt eens te meer de discriminatie die hen ten deel valt. Eisers hebben een verklaring overgelegd van de Azerbeidzjaanse ambassade te Berlijn van 30 juli 2004. Uit het stuk blijkt dat eisers niet in het bezit gesteld kunnen worden van een Azerbeidzjaans grensoverschrijdingsdocument en dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten niet kunnen bevestigen of eisers al dan niet de Azerbeidzjaanse nationaliteit hebben.   
De rechtbank heeft meermalen overwogen dat uit het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 14 augustus 2001 niet kan worden afgeleid dat personen van etnisch Armeense afkomst en gemengd gehuwden niet meer hebben zouden te vrezen voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag enkel op basis van hun etnische afkomst. De hele reeks incidenten die eisers hebben moeten verduren, maakt dat niet meer van een normaal verblijf in Azerbeidzjan gesproken kan worden. Uit het inmiddels verschenen algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van juni 2003 kan worden geconcludeerd dat de voornaamste reden dat etnische Armeniërs of personen van gemengde afkomst niet in groten getale worden vervolgd is dat zij er niet (meer) in groten getale zijn. Verder staat vermeld dat niet kan worden uitgesloten dat de autoriteiten minder geneigd zijn bescherming te bieden aan etnisch Armeniërs. Dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten nog steeds discrimineren naar etniciteit is ook in de zaak gebleken die heeft geleid tot de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 november 2003 (kenmerk 200305386/1, gepubliceerd in NAV 2004/2) en 29 januari 2004 (200308322/1, gepubliceerd in JV 2004/134). Van eisers mag in redelijkheid niet worden verwacht dat zij zich ter bescherming tot dezelfde autoriteiten wenden waarvan zij zoveel problemen hebben ondervonden. Eisers hebben voorts naar voren gebracht dat niet gesteld kan worden dat eisers in de Russische Federatie een reëel vestigingsalternatief hebben. Zij hebben immers getracht hun verblijf aldaar te legaliseren, maar dat is niet gelukt.

2.10 In zijn verweerschrift heeft verweerder zich aanvullend op het standpunt gesteld dat uit het ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 28 april 2004 blijkt dat de vice-mmister van het Azerbeidzjaanse ministerie van Buitenlandse Zaken verklaard heeft dat iedere Azerbeidzjaanse staatsburger het recht heeft terug te keren naar Azerbeidzjan, ongeacht de etniciteit van betrokkene, en dat etniciteit geen rol speelt bij documentafgifte. Wel kan het onderzoek naar de gestelde identiteit en nationaliteit, met name de vaststelling of de betrokkene Azerbeidzjaans staatsburger is, complex en tijdrovend zijn. Verweerder heeft daarbij verwezen naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 9 juli 2004 (kenmerk: 200403838/1, gepubliceerd in JV 2004, 337), waarin de Afdeling mede op basis van het ambtsbericht van 28 april geoordeeld heeft dat niet is gebleken van feiten en omstandigheden in verband waarmee bij voorbaat moet worden aangenomen dat appellant niet tot Azerbeidzjan zal worden toegelaten.

2.11 Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat de rechtbank de in beroep overgelegde brief van de Azerbeidzjaanse ambassade te Berlijn van 30 juli 2004, evenals het ambtsbericht van het ministerie van Buitenlandse Zaken van 28 april 2004 bij haar beoordeling mag betrekken. Deze stukken geven aanleiding het bestreden besluit te handhaven.

2.12 Eisers hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat het ambtsbericht van 28 april 2004 en de uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2004 toepassing missen. Het ambtsbericht en de Afdelingsuitspraak beperken zich tot de vraag of de etniciteit van Azerbeidzjaanse staatsburgers een rol speelt bij de terugkeer naar Azerbeidzjan, terwijl in het onderhavige geval de vraag voorligt welke rol de etniciteit heeft bij de vaststelling van het Azerbeidzjaanse staatsburgerschap.   
Eisers hebben voorts een beroep gedaan op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw.

2.13 Verweerder heeft daarop aangegeven het beroep op het traumatabeleid in strijd is te achten met de goede procesorde, nu dit eerst ter zitting is gedaan.  

De rechtbank overweegt als volgt.

2.14 In geschil is of eisers op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of c, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.

2.15 De rechtbank stelt vast dat verweerder is uitgegaan van de geloofwaardigheid van het asielrelaas van eisers. Over de problemen die eisers hebben ondervonden in de periode van 1989 tot 1998 heeft verweerder overwogen dat deze gebeurtenissen, hoe betreurenswaardig ook, een beperkt aantal confrontaties betroffen die zich over een langere periode afspeelden en dat eisers naar aanleiding daarvan hun land niet hebben verlaten. Voorts is gebleken dat vooral na 1994 de incidenten wezenlijk in frequentie zijn afgenomen. Verweerder heeft daarbij in aanmerking genomen dat eisers hebben verklaard dat zij goed contact hadden met hun buren die hen hebben geholpen en voorts dat eiser al die jaren, zij het niet officieel, heeft gewerkt en aldus in het levensonderhoud van zichzelf en zijn gezinsleden heeft kunnen voorzien.

2.16 De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet zonder meer heeft kunnen concluderen dat in het geval van eisers geen sprake is van discriminatie van zodanige aard en omvang, dat het leven van eisers daardoor onhoudbaar is. De verklaringen van eisers over onder meer verschillende gewelddadige aanvallen van Azeri’s op hun familie in 1989 en 1990, tien tot twaalf gewelddadige confrontaties met de politie in de periode van 1990 tot en met 1995, een aanval van een groep Azeri op eiser in januari 1998, mishandeling van eiser door de politie in februari 1998 en mishandeling van eisers en hun dochter thuis door de politie in juni 1998 gevolgd door bedreiging van eisers en hun kinderen, kunnen in redelijkheid niet worden gekwalificeerd als een beperkt aantal incidenten over een langere periode. Eisers hebben daarbij naar voren gebracht dat de opeenvolging van ernstige incidenten, in samenhang bezien, er uiteindelijk toe heeft geleid dat het leven van eisers in Azerbeidzjan onhoudbaar is geworden en dat zij daarom het land hebben verlaten. Verweerder heeft in dit verband daarom voorts niet kunnen tegenwerpen dat eisers niet eerder aanleiding hebben gezien hun land te verlaten. Voorts blijkt uit de verklaringen van eisers dat zij slechts eenmaal de bescherming van de buren hebben kunnen inroepen en dat zij daarna zijn verhuisd, waardoor zij niet meer konden terugvallen op de buren. Dat eiser in zijn levensonderhoud en dat van zijn gezin heeft kunnen voorzien heeft verweerder in redelijkheid niet kunnen tegenwerpen, nu eiser dit inkomen slechts heeft kunnen verwerven door illegale arbeid.

2.17 Het vorenstaande doet er evenwel niet aan af dat verweerder zich niettemin terecht op het standpunt heeft gesteld dat eisers tegen de problemen van de zijde van (lagere) politiefunctionarissen dan wel medeburgers de bescherming van de hogere autoriteiten dan wel de internationale autoriteiten hadden kunnen inroepen. Het is aan eisers aannemelijk te maken dat het doen van aangifte of het verzoeken om bescherming bij de hogere autoriteiten gevaarlijk of bij voorbaat zinloos zou zijn geweest. De stelling van eisers dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten nog steeds discrimineren naar etniciteit en de verwijzing naar het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van juni 2003 waaruit blijkt dat niet kan worden uitgesloten dat de autoriteiten minder geneigd zijn bescherming te bieden aan etnisch Armeniërs is daartoe onvoldoende. Hieruit kan nog niet worden geconcludeerd dat ook eisers geen bescherming zullen krijgen bij de hogere autoriteiten. Verweerder heeft in dit verband kunnen verwijzen naar het algemene ambtsbericht van de Minister van Buitenlandse Zaken van 14 augustus 2001, waaruit onder meer blijkt dat van overheidszijde meer wordt opgetreden tegen politiefunctionarissen die zich in het verleden aan mishandelingen hebben schuldig gemaakt en dat er ongeveer zeventig internationale non gouvernementele organisaties in Azerbeidzjan actief zijn die toezicht houden op het al of niet schenden van mensenrechten.

2.18 Voor zover eisers zich op het standpunt hebben gesteld dat het verzoeken om bescherming bij de hogere autoriteiten in Azerbeidzjan bij voorbaat zinloos is, nu uit de overgelegde verklaring van de Azerbeidzjaanse ambassade te Berlijn van 30 juli 2004 blijkt dat de autoriteiten weigeren te bevestigen of eisers al dan niet de Azerbeidzjaanse nationaliteit hebben en daaruit blijkt dat eisers door die autoriteiten worden gediscrimineerd, overweegt de rechtbank als volgt.

2.19 In het ambtsbericht van 28 april 2004 is vermeld dat het hoofd van de Nederlandse ambassade te Baku op basis van een formele instructie namens de Minister van Buitenlandse Zaken op 18 juli 2003 een officieel bezoek heeft gebracht aan het Azerbeidzjaanse ministerie van Buitenlandse Zaken en toen heeft gesproken met de voor, onder andere, migratiekwesties verantwoordelijke vice-minister van dat ministerie. Daarbij is door laatstgenoemde verklaard dat iedere Azerbeidzjaanse staatsburger het recht heeft terug te keren naar Azerbeidzjan, ongeacht de etniciteit van betrokkene, en ontkend dat etniciteit een rol speelt bij documentafgifte. Wel kan het onderzoek naar de gestelde identiteit en nationaliteit, met name de vaststelling of de betrokkene Azerbeidzjaans staatsburger is, complex en tijdrovend zijn.

2.20 Eisers stelling dat hun zaak verschilt van de zaak die heeft geleid tot de door verweerder aangehaalde uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2004, wordt gevolgd, nu uit de overgelegde brief van de Azerbeidzjaanse ambassade te Berlijn van 30 juli 2004 blijkt dat de Azerbeidzjaanse autoriteiten niet kunnen vaststellen of eisers het Azerbeidzjaanse staatsburgerschap bezitten. De vraag die in het ambtsbericht van 28 april 2004 beantwoord wordt, namelijk of bij de toelating van Azerbeidzjaanse staatsburgers etniciteit een rol speelt, is evenmin aan de orde, nu gesteld is dat bij de toekenning van het Azerbeidzjaans staatsburgerschap reeds gediscrimineerd wordt. Eisers hebben daarom terecht gesteld dat het ambtsbericht van 28 april 2004 – voor zover het betreft de vraag of etniciteit een rol speelt bij de toelating van Azerbeidzjaanse staatsburgers – en de conclusie uit bovengenoemde uitspraak van de Afdeling dat niet kan worden aangenomen dat Azerbeidzjaanse staatsburgers van Armeense of gemengde afkomst niet tot Azerbeidzjan zullen worden toegelaten, niet op eisers van toepassing zijn.

2.21 In de brief van de Azerbeidzjaanse ambassade te Berlijn van 30 juli 2004 wordt verklaard dat het Azerbeidzjaanse staatsburgerschap van eisers niet vastgesteld kan worden, omdat niet bekend is of zij uit Azerbeidzjan afkomstig zijn en daar hebben gewoond. De persoonsgegevens van eisers zijn niet in het “Adressenbüro” van de Azerbeidzjaanse Republiek geregistreerd. Daaruit kan evenwel nog niet worden geconcludeerd, zoals eisers hebben gesteld, dat zij door de Azerbeidzjaanse autoriteiten worden gediscrimineerd. Uit de brief blijkt immers niet op welke wijze het onderzoek door de Azerbeidzjaanse ambassade heeft plaatsgevonden en of eisers alle benodigde documenten hebben overgelegd. Onder deze omstandigheden, mede in het licht van de niet bestreden vaststelling in het ambtsbericht van 28 april 2004 dat de vaststelling of iemand Azerbeidzjaans staatsburger is, complex en tijdrovend kan zijn, kan uit bedoelde brief niet geconcludeerd worden dat etniciteit een rol heeft gespeeld bij de mededeling van de Azerbeidzjaanse autoriteiten dat het staatsburgerschap van eisers niet vastgesteld kan worden. Uit het voorgaande volgt dat verweerder terecht heeft gesteld dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat het voor hen gevaarlijk of bij voorbaat zinloos zou zijn geweest bescherming van hogere autoriteiten in te roepen.

2.22 Nu eisers die bescherming niet hebben ingeroepen, terwijl evenmin aannemelijk is gemaakt dat die bescherming niet kon worden ingeroepen, heeft verweerder terecht overwogen dat eiseres niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun aanvraag gegrond is op omstandigheden die ingevolge artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw een rechtsgrond voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd vormen.

2.23 Nu geen grond is voor het oordeel dat ten aanzien van eisers sprake is van vluchtelingschap in de zin van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, Vw komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van het tegengeworpen vestigingsalternatief elders in Azerbeidzjan en in de Russische Federatie.

2.24 Ter zitting hebben eisers aangevoerd dat verweerder hen ten onrechte een verblijfsvergunning heeft geweigerd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. De op 19 september 2002 overgelegde medische stukken dienen ter onderbouwing daarvan. De rechtbank stelt vast dat eisers in de gronden van beroep geen grieven hebben gericht tegen de weigering een verblijfsvergunning te verlenen op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. De verwijzing ter zitting naar de brief van de gemachtigde van eisers van 10 augustus 2004, waarin wordt gewezen op de ernst van de gevolgen die verbonden zijn aan de afwijzing van de aanvraag en waarin een beroep wordt gedaan op de belangenafweging die wordt gemaakt in bestuursrechtelijke zin bij de beoordeling van de aanvraag, met name in het belang van eisers dat opweegt tegen het belang van verweerder bij een restrictief vreemdelingenbeleid, is onvoldoende concreet om te kunnen worden aangemerkt als een beroep op artikel 29, eerste lid, aanhef en onder c, Vw. Nu eisers deze beroepsgrond eerst ter zitting naar voren hebben gebracht, acht de rechtbank dit in strijd met de goede procesorde.

2.25 De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren.

2.26 Gegeven de beslissing in de hoofdzaak is er geen grond meer voor het treffen van de verzochte voorlopige voorziening, zodat het verzoek zal worden afgewezen.

2.27 Er is geen grond een van de partijen te veroordelen in de door de andere partij gemaakte kosten.

3. BESLISSING

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep ongegrond.

De voorzieningenrechter:

3.2 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. E.B. de Vries-van den Heuvel, lid van de enkelvoudige kamer voor vreemdelingenzaken, tevens voorzieningenrechter, en uitgesproken in het openbaar op 15 december 2004, in tegenwoordigheid van mr. J. van der Kluit als griffier.


Afschrift verzonden op:

Coll:

RECHTSMIDDEL
Tegen deze uitspraak staat geen gewoon rechtsmiddel open.